Thuis > Adviesbureau > Romeins Nijmegen
|   Pers  |   Persfotos  |   Gelderlander  |   Nieuws  |  
De Verzonken Stad


De ligging van Romeins Nijmegen


Copyright Willem Overmars 2005 / 2007 / 2009
Download: rapport pdf (lage resolutie: 10 Mb)
Dowload: rapport pdf (hoge resolutie: 130 Mb)




Al 100 jaar lang wordt er gegraven naar Romeins Nijmegen. De resultaten zijn spectaculair: twee grote legerkampen, flinke stadsbuurten, grafvelden, handelswijken. Maar er zijn ook steeds vragen. Want waarom is de legerplaats op het Kops Plateau maar 5 hectare groot ? De commandantswoning en de officiersverblijven hebben het formaat dat hoort bij een veel grotere legerplaats. En waarom ligt de commandantswoning op de rand van de heuvelrug, met wijds uitzicht over de Ooij, terwijl zo'n gebouw normaliter midden in de legerkamp stond? En waarom zijn er helemaal geen barakk en voor manschappen te vinden ? Nijmegen kent een hele reeks van dit soort vragen, en er worden van tijd tot tijd heftige discussies over gevoerd. Al de onderzoekers hebben tot dusver gewerkt vanuit de archeologie . De spade in de grond, op zoek naar hard bewijs in de bodem . Aangenomen werd steeds, dat de Waal bij Nijmegen altijd gestroomd heeft op de plek waar deze nu nog steeds stroomt. En dus, dat de hellingen van de Nijmeegse Heuvelrug naar de Ooijpold r en naar de Waal er altijd zo uit gezien hebben als nu. Maar dat is niet waar. Wie met andere ogen, vanuit een bredere landschappelijke inval hoek naar de Waal, de Ooijpolder en Nijmegen kijkt, komt tot heel andere conclusies. Er is sinds de Romeinen er ruim 1500 jaar geleden verdwenen heel veel veranderd aan de Nijmegse Heuvelrug. De Romeinse stad was ook veel groter dan tot nu toe gedacht werd.

Er is een halve Romeinse stad kwijt. Een Karolingische Pfalz zal er wel nooit gelegen hebben, maar van de Ottoonse Burcht is alleen het kapelletje over. De rest is ook kwijt.


Legerplaats met mooi uitzicht

De legerplaats op de Hunerberg heeft een mooie regelmatige indeling. (fig A) Twee haaks op elkaar staande hoofdwegen verdelen het kamp in 4 delen. Via 4 grote poorten in de muren konden de legionairs het kamp verlaten. Via de oostelijke poort naar het Kops Plateau. Via de westelijke poort naar de burgerlijke stad die bij de legerplaats hoorde. Via de zuidelijke poort naar het achterland op de heuvelrug. Maar de noordelijke poort, de belangrijkste nog wel, de Porta Praetoria, leidt naar niks en nergens. Al een paar meter buiten de poort begint de steile helling, 40 meter naar beneden, de vlakte van de Ooijpolder in. En er zijn geen resten van een weg gevonden. Het is moeilijk aan te nemen, dat de Romeinen een belangrijke uitvalsweg met poort aan zouden leggen, alleen maar om net buiten de poort van het uitzicht te gaan staan genieten. Er moet een weg naar het noorden geweest zijn.

Romeins castra op de Hunerberg.
uit: Castra et Canabae


Een legerplaats zonder barakken voor de manschappen op het Kops Plateau, en een legerplaats zonder noordelijke uitvalsweg op de Hunerberg. Dat kan alleen verklaard worden als aangenomen wordt dat de heuvelrug zelf op die plaatsen vroeger breder was. Een paar honderd meter op z'n minst, want volgens de deskundigen ontbreekt er zo'n 15 hectare aan de legerplaats op het Kops Plateau. 15 hectare, dat is 300 x 500 meter.

De beweeglijke rivier
In Romeinse tijd werden de rivieren nog niet ingeperkt door dijken. Ze stroomden breed en ondiep, vol zandbanken en eilanden door heel het gebied dat nu de Betuwe heet. Tussen Arnhem en Nijmegen is die vlakte zo'n 17 km breed, en de rivier heeft overal wel zijn invloed gehad. De stroom verdeelde zich makkelijk in meerdere takken, en de beddingen verlegden zich voortdurend, en vaak ook snel. In grote meanders kronkelde de Waal en andere rivieramen door het land. Daarbij werden van tijd tot tijd de randen van het rivierdal geraakt: de Veluwe bij Arnhem, en de Nijmeegse heuvelrug bij Nijmegen. Wanneer de top van een riviermeander onder langs de heuvelrug begon te stromen, schuurde het water zand weg, zodat de helling van de heuvel begon in te storten. Als dat proces een tijdje doorging, ontstonden er steilwanden van enkele tientallen meters hoogte. Plaatselijk kon de rivier een forse portie uit de heuvelrug weg eroderen. En omdat een meander nu eenmaal langzaam stroomafwaarts beweegt, verplaatste zich de plek waar de erosie plaatsvond, ook stroomafwaarts. Oftewel, de rivier schuurde van tijd tot tijd onderlangs de heuvelruggen, en schaafde daarbij een rand van de heuvels af.Dat gebeurde vaak, en als er tijd in overvloed is, zijn de resultaten spectaculair. Ooit zaten de Veluwe en de Nijmeegse heuvelrug aan elkaar vast, en de rivier heeft het brede dal helemaal op die manier weggesleten.



Steilwand op de plek waar de Nederrijn bij Arnhem langs de Veluwe schuurt. ca 1625.
Copyright Gem. Musea Arnhem
Onderlangs en Bovenover
Even stroomafwaarts van het stadscentrum van Arnhem ligt bovenop de heuvel het Museum voor Moderne Kunst, en aan de voet van de heuvel de Kunstacademie. Er tussenin ligt een steile helling, met spannende paadjes. Die steile helling is ontstaan bij de laatst bekende botsing tussen de Nederrijn en de Veluwe, tussen 1550 en 1700. Dat is zo kort geleden, dat er kunstenaars en kaartenmakers waren die de gebeurtenissen in kaarten en prenten hebben afgebeeld. (fig B) Er ontstond toen een steile wand van enkele tientallen meters hoogte.



De Arnhemse stadsgalg stond bovenop de heuvel, maar moest ieder jaar een eindje naar achter gezet worden, om te voorkomen dat het schavot en de galg naar beneden zouden vallen. Zo snel verplaatste zich de steilrand dus naar achteren. Dankzij deze afbeeldingen bestaat er een beeld van wat er ook aan de Nijmeegse kant bij de twee legerkampen tussen Ubbergen en Nijmegen gebeurd is.

Steilwanden langs de Allier in Frankrijk
Een andere manier om er achter te komen hoe de Nijmeegse heuvelrug er uit gezien moet hebben toen de Waal er een hele rand vanaf schuurde, is om in het buitenland een soortgelijke rivier op te zoeken, waar dat nu nog aan de gang is. Even stroomopwaarts van Moulins in Frankrijk schuurt de rivier de Allier onderlangs een heuvelrug.



De botsing is nog steeds aan de gang, en jaar voor jaar stort er nieuwe aarde naar beneden, en verplaatst de steilrand zich naar achteren en ook een beetje stroomafwaarts.(fig C: steilrand Chateau de Lys) Het materiaal dat naar beneden valt, wordt door de rivier gesorteerd. Klei en zand, en ook nog wel kleine steentjes, worden door de stroming meegenomen, en komen terecht in zandbanken benedenstrooms. Grotere en zwaardere stenen vallen wel in de rivier, maar blijven daar liggen. Omdat een rivier in de buitenbocht op z'n diepst is, kunnen zulke zwaardere stenen behoorlijk diep komen te liggen. Later, als de rivier weer ergens anders stroomt, raken die zware stenen dan weer overdekt met zand, grind en klei.

Actieve steilwand langs de Allier bij Moulins (F) 20-25 m hoog


De verdwenen legerkampen
Sinds de Romeinse tijd heeft de Waal een keer (of misschien wel meerdere keren) onderlangs de heuvelrug tussen Ubbergen en Nijmegen geschuurd. Daarbij is een flink deel van het legerkamp Kops Plateau naar beneden gestort. Bij het legerkamp op de Hunerberg is de afkalving precies tot aan de noordelijke muur gegaan. De weg, die aan de noordkant het kamp verliet is weggeërodeerd, maar de noordmuur zelf is nog net blijven staan. De commandant van het hoofdkwartier van de legerplaats op het Kops Plateau had helemaal geen prachtig uitzicht over de Ooij. Zijn gebouw stond gewoon in het midden van de legerplaats, en de soldatenbarakken zijn ooit naar beneden gestort, de rivier in. Ze moeten daar nog steeds begraven liggen, diep in de vroegere rivierbedding, overdekt door materiaal dat sindsdien van de heuvel is gerold of door de rivier is afgezet.
De noordelijke uitvalsweg van het kamp Hunerberg leidde naar plekken die ons onbekend zijn, maar die ten noorden van het kamp lagen. Wat daar ook stond - barakken, een amfitheater, een tempel, wie zal het zeggen - het is allemaal naar beneden gestort, de rivier in, en het ligt er nog altijd. Ook delen van de burgerlijke stad naast het legerkamp met handwerkslieden, handelaren en de vrouwelijke relaties van de soldaten, zijn naar beneden gestort. Uit de zeventiende eeuw zijn er berichten, dat er in dat gebied nog manshoge stukken van de romeinse muren overeind stonden. Omdat de afkalving van de rand van de heuvelrug veel eerder moet hebben plaats gevonden, moeten er nog flinke stukken van die oude romeinse gebouwen beneden te vinden zijn, onder de weilanden van de Ooij achter het Nederlandsch-Duitsch Gemaal, en onder de Rijksstraatweg.



Afbrokkelende steilwand langs de Allier. Een jaar of 10 voor deze foto genomen werd, stroomde de Allier voor het laatst onderlangs. De helling wordt minder steil, en aan de voet hebben zich zwarte populieren gevestigd.
Lege gebieden
In de opgravingsrapporten van Nijmegen wordt vermeld, dat er hele stroken zijn waar de Romeinen zich niet vestigden. Met name op de helling tussen hoog Nijmegen en de Waalkade, bij de Grote Straat en de Lindenberg is weinig Romeins materiaal, en zijn helemaal geen Romeinse gebouwen gevonden. De Romeinse weg naar Xanten is wel teruggevonden in Ubbergen, maar niet op het stuk tussen Nijmegen en Ubbergen. Dat is evenwel niet omdat de Romeinen er een hekel aan hadden om zich op hellingen te vestigen, maar eenvoudigweg omdat die hellingen er in Romeinse tijd helemaal nog niet waren. Die zijn pas na de Romeinse tijd door ondermijning en erosie ontstaan.


Een door de rivier ondermijnde steilwand blijft alleen steil zolang de rivier eraan knaagt. Als de rivier een andere loop neemt, gaat de steile wand verflauwen. De bovenkant brokkelt af, en dat materiaal rolt naar beneden, en blijft onderaan de helling liggen. Op die manier wordt de helling steeds flauwer. (fig D: Allier bij les Besserolles)
Romeins materiaal dat boven op de afbrokkelende rand stond, rolde naar beneden , maar werd ofwel bedolven, ofwel over de hele helling, een veel groter gebied, verspreid. Op de hellingen onder de kampen van het Kops Plateau en de Hunerberg is wel wat Romeins materiaal gevonden, afvalhopen zelfs, maar toch heel weinig. En die afvalhopen kunnen heel goed in hun geheel in schollen naar beneden gezakt zijn. Op de hellingen van de Nijmeegse benedenstad aan de kant van de Waal dateren de oudste bebouwingssporen uit de vroeger middeleeuwen.
Toen ontstond er een nieuw, middeleeuws Nijmegen op de verse helling naar de nieuwe loop van de Waal. Omdat Romeins bouwmateriaal overal op de heuvels voor het grijpen lag, zijn de oudste kelders van het middeleeuwse Nijmegen langs de Grote Straat van hergebruikt Romeins materiaal gebouwd.
Het ontbreken van Romeinse bebouwing op de huidige hellingen van de heuvelrug vormt een van de bewijzen dat deze hellingen pas na de Romeinse tijd zijn ontstaan.



Rare jongens die Romeinen ?
In 1986 werd bij de bouw van het Casino een Romeinse muur gevonden. Beneden aan de voet van de helling. Van het begin af aan was duidelijk dat er van alles mis was met deze muur.
De muur leek een keermuur te zijn, die het zand van de heuvelrug tegen moest houden. Alleen, de kant van de muur die naar het zand was toegekeerd, was mooi afgewerkt. Keurig glad gemetseld en gevoegd. Wie bouwt er nu een keermuur waarbij de kant die nooit iemand te zien krijgt, mooi gemetseld en gevoegd is. Aan de andere kant van de muur waren steunberen te zien, en bovendien de resten van muren van huizen die er tegenaan gebouwd waren, zelfs met sporen van vloerverwarming. Maar de muurresten liepen niet door; de huizen die er aan vast gezet hadden waren niet te vinden. Een kademuur kon het dus ook niet geweest zijn, want wie bouwt er nu aan de kant van het water huizen aan een kademuur. Bovendien was de muur niet recht, maar in grote brokken gebroken, en een beetje zigzaggend. Romeinse legionairs zullen best eens een avondje gestapt hebben, maar Romeinse muren zijn toch gewoonlijk recht en strak.
De merkwaardige omstandigheden rond deze muur kunnen alleen verklaard worden door aan te nemen dat de muur ooit 20 of 25 meter hoger gestaan heeft, bovenop de heuvelrug. Het is de zuidelijke stadsmuur geweest van een Romeinse stad die boven op de heuvelrug stond. De keurig gemetselde zuidkant rees in de oorspronkelijke toestand hoog op voor de reizigers die uit het zuiden kwamen. Wie de stad binnenging, kon zien dat er aan de binnenkant huizen tegen de stadsmuur waren aangebouwd.


De Verzonken Stad
Wat kan er gebeurd zijn ? De enige logische verklaring is, dat ook op deze plek de heuvelrug vroeger veel breder was. Op de hoogte van de huidige Nijmeegse Heuvelrug ( voor de Nijmegenaars: niveau Kelfkensbos-Burchtstraat-Grote markt) liep de hoogte op hetzelfde niveau nog een heel eind door in noordelijke richting, 25 meter boven de huidige Waal. Net zoals op het traject Ubbergen-Nijmegen heeft ook hier de rivier een hele strook van de heuvelrug weggeerodeerd.
Het stuk muur dat bij het Casino gevonden werd, had een voorganger. Al in de vijfiger jaren werd een ander, soortgelijk stuk gevonden bij het Besiendershuis. Al met al vormt dat samen een muur van minstens 240 meter lengte, en waarschijnlijk veel langer. Aannemende dat de stad min of meer rechthoekig was, dan moet de verdwenen Romeinse stad dus op z'n minst 240 x 240 meter groot
geweest zijn.
Zijmuur van het Casino vanaf het Valkhof. De Romeinse muur werd ongeveer gevonden onder het plaveisel waar de mensen lopen. De oospronkelijke positie was ca 25 m hoger, waar nu het dak van het casino zich bevindt. Foto Geert Overmars


De gevonden muur bij het Casino was de zuidmuur, en dus moet er minstens 240 meter naar het noorden een noordmuur geweest zijn. En dat is aan de overkant van de Waal, in Lent. (fig E. Foto zijmuur casino)Er heeft dus een grote Romeinse stad op de heuvelrug gelegen, 20 of 30 meter boven de huidige Waal, zo ongeveer tussen de twee bruggen. Ná de Romeinse tijd is de Waal hier een of meerdere keren op bezoek geweest, en heeft de heuvel ondermijnd. Daarbij zijn jaar na jaar, hoogwater na hoogwater, stukken van de heuvel weggevreten. De Romeinse gebouwen stortten daarbij stukje bij beetje in het diepste punt van de buitenbocht van de rivier. De zuidelijke stadsmuur hield het langst stand. De huizen die er aan vast hadden gezeten waren enkele jaren eerder al naar beneden gevallen. Tot, uiteindelijk, een laatste, groot stuk van de zuidelijke muur naar beneden kwam glijden. Dat stuk belandde aan de voet van de heuvel op het puin dat al eerder gevallen was, en bleef, overeind maar wat schots en scheef, staan. In het water van de Waal. Uiteindelijk stopte dat de ondermijning van de heuvelrug bij Nijmegen. Die Romeinse stadsmuur kwam per ongeluk de helling afglijden, en ging werken als een kademuur.
Volgens de Nijmeegse archeologen is het niet onaannemelijk, dat zich onder het kapelletje op het Valkhof nog de fundamenten van een romeinse muur of zelfs toren bevinden. De foto van het Casino hierboven is dan gemaakt vanaf de plek waar de muur nog op hoogte staat, en kijkt neer op de plek waar het westelijk deel van de muur in de diepte plonste.



De Bouw van de Waalbrug 1931 - 1935

In 1931 wordt er een begin gemaakt met de bouw van de verkeersbrug in Nijmegen. Daarvoor moesten de landhoofden en de pijlers van de brug diep gefundeerd worden. Het archief van Rijkswaterstaat arrondissement Arnhem is bij de Slag om Arnhem verbrand, maar ook in het Nijmeegse Gemeente Archief bevinden zich allerlei stukken en krantenknipsels over de bouw. De werkwijze voor de bouw van de pijlers was alsvolgt. Eerst maakte men een ringvormige 'badkuip' door lange stalen balken diep in de bedding van de rivier te drijven. Deze balken zaten met flenzen aan elkaar vast, en vormden daarom n geheel. Om deze stalen badkuip werd een aarden dam gelegd, om de boel te verstevigen. Dan werd het water uit de kuip gepompt, en kon men op de bodem van de zo ontstane bouwput gaan werken.
Bij het heien van de betonnen palen ondervond men moeilijkheden. In De Gelderlander van 27 november 1932 staat:
"Dit heien ondervindt ook zijn eigenaardige moeilijkheden van de gesteldheid van den bodem. Men stuit geregeld op grindbanken waarop de betonpalen afstuiten en blijven staan. De ligging dezer grindbanken is onregelmatig, soms op tien dan op twaalf meter.
Deze banken vormen blijkbaar een hechte basis om daarop de betonnen palen voor het landhoofd te doen rusten. Steken de koppen der betonpalen, - eenmaal vastgestooten op de grindbanken - ver boven den grond uit, dan worden zij gewoonweg afgesneden met de snijvlam." 



heipalen waalbrug

Men wist niet precies wat er in de grond zat. Het werden nu eens harde grindbanken, dan weer harde leemlagen genoemd.  Om de hoofdoverspanning te kunnen maken, moesten nog eens hulppijlers in de rivier gebouwd worden. Ook deze bestonden uit een buitenkant van geheide stalen damplanken. Het inheien ging met veel kracht gepaard. Het was de bedoeling, dat de stalen damplanken weer verwijderd werden. Het bleek echter, dat dat uittrekken vrijwel ondoenlijk was.  In een technische verhandeling in het Polytechnisch Weekblad van 29 augustus 1935 staat: "Het lag in de bedoeling om de damplanken, waaruit de bouwkuipen bestaan, na gebruik aan de noordzijde weer voor de zuidzijde te gebruiken, waarbij natuurlijk een zeker percentage door verlies vernieuwd zou moeten worden. Het uittrekken dezer planken ging echter bijzonder zwaar.

krom


Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te geven, als b.v. scheef inheien, kromtrekken door grondverdichting binnen de kuip of door zwerfsteenen en daardoor grote wrijving in de sloten, de zeer taaie leemlaag op 6-8 m - N.A.P., terwijl ook de grondsoort van de bovenlagen een belangrijke rol speelde." Uiteindelijk werd van de noordelijke pijlers en hulppijlers maar 1/3 van de damplanken getrokken. De rest werd onderwater doorgebrand, waarbij men dus de delen die in de bodem staken liet zitten. De aannemer die deze hulppijlers plaatste, de N.V. Internationale Gewapend Beton-Bouw IGB zei daar in het eigen blad "Technisch I.G.B."over :  "De uitvoering was geen eenvoudig werk (..). De grondgesteldheid was zoodanig (zand, grind, zware klei, enz) dat de planken zeer moeilijk zakten. Teneinde een denkbeeld van het zeer zware heiwerk te krijgen, worden enige foto's gegeven van enkele planken, zoals deze na het trekken (..) te voorschijn kwamen. Zoals blijkt, zijn enkele toch zeer zware planken op een bijkans ongelofelijke wijze tot krulvormige figuren weggeslagen, zonder dat zulks tijdens het heien te bemerken was." Als hypothese kan hieruit worden opgemaakt, dat er zich op een diepte van 6 - 8 meter -NAP (dat is 8-10 meter onder de rivierbodem) een harde laag zit, die best eens kon bestaan uit het puin van de verzonken romeinse stad of de verzonken burcht.


(ingevoegd september 2007:)
Inmiddels is duidelijk geworden aan de hand van boringen uit de jaren dertig, dat de harde laag onder de Waalbrug een zeer harde zware leemlaag is, die in de ijstijd is ontstaan.
Uit die boringen komen onder de huidige Waal geen sporen van puin voor. Wel werd onde de waalkade puin gevonden. De bovenste lagen bevatten de dikke lagen puin dat afkomstig is van het bombardement van 1944, waarmee de waalkade is opgehoogd. Maar diep daaronder zit nog een laag puin, dat nader onderzoek behoeft. Maar ja, het blijft raar, die kapotgebeukte en vastgelopen damplanken.


(ingevoegd september 2008/ 2009)
Hoogwaterkering Waalkade
In 2008 is begonnen met het verbeteren van de hoogwaterkering op de waalkade. Daarbij worden damwanden van 7 meter diepte in de bodem gedrukt.
Bij het aanbrengen van de damwanden tussen het Casino en de Grote straat bleek, dat er op een diepte van 5 - 7 meter zwaar muurwerk in de ondergrond aanwezig is. Het werk werd stilgelegd, en in november, na het terrasjesseizoen, werden resten van een 18de-19de eeuwse kademuur gevonden. De nieuwe waterkering werd hieromheen aangebracht.


(ingevoegd september 2008)
Verzakkingen Waalkade 1854-1860 en 1958
In de jaren 1854 - 1860 begon een stuk van de Waalkade ter weerszijde van de Groote straat plotseling te verzakken. En flink: een meter diep, een aantal meters breed, en een paar honderd meter lang. Huizen en poortjes verzakten en moesten worden afgebroken.
De Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschappen, afdeeling natuurkunde stuurde er een paar deskundigen op af, die het verschijnsel bestudeerden. De conclusie was, dat het NIET lag aan verschuivingen van de kant van de Nijmeegse heuvels. OOK niet aan ondermijnende uitspoeling van de kant van de rivier. De enige mogelijkheid die overbleef, was dat het zand naar beneden gevallen is in holtes die daar in de ondergrond aanwezig waren.
Nu zijn holtes in de ondergrond van nature zeer onwaarschijnlijk. De enige mogelijkheid voor een natuurlijk proces zou zijn, dat door drukwater uit de heuvels van Nijmegen, en door kwel uit de rivier een ' zandvoerende wel ' is ontstaan, zoals dat bij dijken ook wel eens gebeurt. Dat is immers ook de reden waarom het waterschap damwanden plaatst, om zulke wellen te voorkomen.
Maar een veel logischer verklaring, in het licht van dit onderzoek, is, dat er zich tussen het romeinse puin in de ondergrond, dat bij het instorten van de heuvelwand snel overdekt geraakt is met zand, nog holtes bevinden, die van tijd tot tijd instorten, zich vullen met zand. Dat zand moet van boven komen en verzakkingen van de bovengrond zijn het gevolg.
Op de waalkade waren al eerder verzakkingen geweest: 1798 en 1823, en zo kort geleden als 1958 was de laatste grote verzakking.
de plek van de verzakking vertoont aan de kant van de berg een scherpe lijn, " alsof er muurwerk in de ondergrond zit " zegden de deskunigen van toen. De kaart uit het rapport kan een richtsnoer worden voor de plek van mogelijke boringen naar de aard van de ondergrond.




holtes

kaart verzakking

De middeleeuwse stad
Wanneer het instorten van de steilrand gebeurd is, blijft voorlopig giswerk. De legerplaats op het Kops Plateau is misschien wel vlak boven een actieve steilrand gebouwd. Een mooie plek voor een tijdelijke legerplaats. In dat geval zal het kamp misschien al wel in Romeinse tijd in de rivier gevallen zijn. Maar het kan net zo goed na de Romeinse tijd geweest zijn. Het begin van het proces is dus niet goed te dateren.
Het eind van het proces is wat duidelijker. De dijken langs de rivieren zijn in een geleidelijk proces tussen de 10de en de 13de eeuw ontstaan. In die tijd nam de bevolking toe, de economie ontwikkelde zich enigszins, en het werd de moeite om have en goed tegen overstromingen te beschermen. Die dijken vormen het keurslijf waarbinnen de rivier sinds die tijd gevangen is gebleven. De dijken langs de Waal bovenstrooms Nijmegen leiden de rivier eenduidig naar Nijmegen toe. De rivier stroomde dus in periode van aanleg, tussen de 10de en de 13de eeuw, naar Nijmegen toe. Daar lag toevalligerwijs en prachtige, als vanzelf door romeins puin gevormde,  " kademuur" te wachten op schepen om aan te meren.
Daaruit volgt dus, dat het middeleeuwse Nijmegen ontstaan is op de plek waar de rivier in die eeuwen stroomde. Het proces van ondermijning en erosie van de heuvelrug moet dus ook in die tijd gestopt zijn.


Het eenzame kapelletje
(aangepast december 2009)
Het verhaal gaat, dat Karel de Grote omstreeks 777 een Pfalz liet bouwen in Nijmegen, maar niemand heeft daar ooit een spoor van gevonden. Ook komt de Pfalz niet voor in historische geschreven bronnen. De Ottoonse keizers hadden er in ieder geval een burcht, want deze werd in 1046 verwoest. Ook van die burcht zelf is niets gevonden, behalve dan het elegante kleine kapelletje dat nog altijd hoog op de helling op het randje van het Valkhof staat. Het zou omstreeks 1084 gebouwd zijn.
Met het verhaal over de verdwenen randen van de Nijmeegse Heuvelrug in het achterhoofd is het niet moeilijk om tot de veranderstelling te komen dat die Ottoonse burcht ook van de ondermijnde helling gegleden zijn, en nu ergens te vinden zijn diep onder de passantenhaven en de Stratenmakerstoren. Toen keizer Barbarossa daar in de 12 de eeuw kwam kijken trof hij van de oude burcht alleen nog maar het kapelletje aan, wankelend op de top van de steilrand. Hij besloot een nieuwe burcht te bouwen, bovenop de nog overeind staande steilrand. Hij maakte deze burcht zo stevig, dat de Waal geen kans meer kreeg om de helling te ondermijnen. Vandaar dat het Valkof is blijven staan tot 1796, en het kapelletje er nog steeds op het randje staat.
De inscriptie op de leuning van het uitzichtspunt bij het kapelletje vertelt dat hier Claudius Civilis stond, terwijl hij knarsetandend de Romeinse legerscharen zag naderen... Hic stetit hic frendens..... Maar het was dus niet hier, maar een paar honderd meter verderop waar de held stond te tandenknarsen, misschien wel ongeveer op het midden van de huidige Waalbrug.  Als dat geknars al in Nederland plaats vond tenminste, en niet in Noord Frankrijk.
Nog een laatste keer kreeg de Waal een kans om de Nijmeegse heuvel aan te vallen. Omstreeks 1780 stroomde de Waal recht op de meest stroomopwaarts gelegen hoektoren van de stadsmuren af, de Lappentoren. Deze raakte ondermijnd, en stortte tijdens hoogwater in de rivier. In het Valkhofmuseum zijn er prenten van te zien.
Volgens de Nijmeegse archeologen, in een reactie op dit rapport, zou het nog wel eens zo kunnen zijn dat het ottoonse kapelletje gebouwd is op de fundamenten van een romeinse toren. Dat stuk van de romeinse muur is dus kennelijk blijven staan, terwijl het stuk vanaf het kapelletje tot aan de Groote straat naar beneden is geschoven,.

Fantasin
Wie eenmaal vertrouwd is met het idee dat de heuvelrug bij Nijmegen een flink stuk breder is geweest, en dat er dus heel veel Romeins materiaal onder de Ooijpolder, de Waalkade en de Waal zelf moet liggen loopt de kans zelf meegesleurd te worden door zijn/haar fantasie. De laatste grote instorting was in de tijd vlak voordat de keizer met de rode baard, Barbarossa het Valkhof bouwde.
De Romeinse gebouwen zijn dus in de periode tussen ongeveer 450 en 1100 in de rivier verdwenen.
Dat is juist de periode waarin er heel weinig in steen werd gebouwd. Na het instorten van de romeinse wereldorde omstreeks 470 en de dramatische reductie van het bevolkingsaantal tengevolge van de pestepidemie van 521 en de jaren daarna, keerden de volkeren die hier nog overleefden terug tot een landbouwkundig bestaan, waarbij huizen in riet en hout werden gebouwd, niet in steen. Het duurde enkele eeuwen voordat west-europa wat bevolkingsaantal betreft weer enigszins hersteld was. De Romeinse ruínes moeten er dus eeuwenlang ongebruikt en half ingestort bij hebben gestaan. Overwoekerd door klimop en bosrank, met grote vlierstruiken wortelend in de ontwrichtte muren, en eiken groeiend tussen half omgevallen zuilen. Op door gewelven beschutte muren zullen fresco's nog lang zichtbaar geweeest zijn. Basementen, zuilen, kapitelen, beeldhouwwerken, grafmonumenten, gedenkzuilen - niemand had ze in deze periode nodig om er cement van te branden, tras van te maken, of er nieuwe gebouwen mee op te trekken.
De gebouwen zijn dus niet naar beneden gevallen als de vage ondergrondse restanten van funderingen waarmee wij archeologen altijd bezig zien achter hun hoge hekken. De ruïnes bestonden uit het hele gebouw, waaruit het hout wel weggerot zal zijn. De dakpannen lagen op de vloertegels, zuilen en tympanen stonden nog lang overeind. Muren doorstonden de eeuwen. Die overwoekerde gebouwen zijn van de heuvel naar beneden gevallen en diep in het zand begraven.
Er moet een ratjetoe liggen aan bomen, stukken muur, beeldhouwwerk, gebruiksvoorwerpen, munten, schatten, wapens, inscripties, alles wat er in een Romeinse stad te vinden was.
Nijmegen zou een belangrijker stad geweest zijn dan het nabijgelegen Xanten. Maar in Xanten stonden binnen de stadsmuren een groot amfitheater, en twee grote stenen tempels. In Nijmegen ontbreken zulke indrukwekkende gebouwen. Als fantasie kun je ze een plaats geven in de verdwenen Romeinse spookstad, 25 meter hoog zwevend boven het oppervlak van de huidige Waal. Of je kunt fantaseren hoe al die gebeeldhouwde spullen diep onder het zand van de Waal liggen, mishandeld door baggermachines, en gekraakt door heimachines die er damwanden doorheen probeerden te rammen.



Oranje: zoekgebied Verzonken Romeinse Stad
Verder zoeken
Bij de aanleg van de 'vaste laag' in de Waal in 1988 moest er gebaggerd worden in de Waal voor Nijmegen, en er kwamen stukken steen tevoorschijn die volgens ooggetuigen leken op het materiaal waarvan het Valkhof was gemaakt. Tufsteen, waarschijnlijk dus. Het werd afgevoerd, en het materiaal werd gedumpt in een plas in de uiterwaard van Oosterhout. In 2003 herhaalde zich dit. Die plas in Oosterhout is dus een eerste plek om dat spul weer eens naar boven te halen en te bekijken, als iemand nog weet waar het ligt. Het ligt niet meer op de oorspronkelijke plek en het kan dus best nog eens omhoog gebaggerd worden.
Natuurlijk is er al heel erg lang gebaggerd in de Waal voor Nijmegen. In de 17de eeuw werd er volop romeins materiaal verwerkt tot cement; belangrijke vindplaatsen waren het gebied bij het romeinse legerkamp, de waalkade, en het terrein van de oude stad net buiten de Hezelpoort.


Veel romeins materiaal aan de Waalkade moet toen opgegraven en tot cement verwerkt zijn. 

Maar er moet ook nog veel te vinden zijn. Niet voor niets staan de musea vol met de prachtigste spullen met een bordje 'gevonden in de Waal bij Nijmegen'. De bovenste laag zal dus wel flink door elkaar gehutseld zijn. Maar het meeste moet er toch altijd nog gewoon liggen.
Door boringen kan de zone, waarin en de diepte waarop het materiaal ligt ,worden vastgesteld, in een brede zone tussen Ubbergen en de Stevenskerk.
In de komende tijd gaat er flink gegraven worden in en langs de Waal.
Voor 'Ruimte voor de rivier€� wordt er een nieuwe geul voor of achter het eiland Veurlent heen gegraven. Allemaal gelegenheden en financieringsbronnen om eens goed naar beneden te kijken naar al het Romeinse materiaal dat daar ligt.



De Waalkade
(aangepast dec 2009)
De Waalkade is veranderd, de damwand is vernieuwd . De kans om in het kader van dit project eens te boren naar de diepere ondergrond is niet genomen.



Europese Wildernis

--------------

Activiteiten

Kaarten

Natuurlijke Processen

---------------

Adviesbureau

Ontwerp groot

Restauratie

Ontwerp klein

Onderzoek

intern

Bibliografie

Curriculum